Featured image of post Ricoeur over interpretatie II: geschiedenis en verhalen

Ricoeur over interpretatie II: geschiedenis en verhalen

Wat is de kern van Ricoeurs filosofie? Het essay 'over interpretatie' kan ons helpen dat te begrijpen.

Over interpretatie

Het woord 'geschiedenis' betekende vroeger zoiets als 'verhaal'. Het woord werd juist in het meervoud gebruikt voor de veelheid aan verhalen of geschiedenissen van volkeren, van gemeenschappen, of van individuele mensen. Tegenwoordig is de relatie tussen verhalen en geschiedschrijving niet meer zo eenduidig. Geschiedenis is een wetenschap geworden die naar een zekere objectiviteit streeft. Historici moeten ons — op toetsbare wijze — uitleggen wat er in het verleden het geval was en waarom dat zo was. Is het daarom tijd dat we de verhalen overlaten aan de romanschrijvers? Of kunnen verhalen ons juist ook begrip geven van het verleden?

In deze blogpost vervolg ik mijn bespreking van het essay "Over interpretatie" van Paul Ricoeur, dat ons de kern van zijn denken kan leren kennen. Vorige keer besprak ik waarom Ricoeur zo geïnteresseerd is in verhalen. Deze keer leg ik uit waarom Ricoeur denkt dat verhalen onmisbaar zijn voor historici. Alleen verhalen zouden de tijd van de geschiedenis tot de mens kunnen laten spreken. Om dit punt te maken, legt Ricoeur uit dat verhalen tot begrip kunnen leiden — ze zijn niet zomaar verzinsels, maar ze verklaren, leggen uit, brengen samen en geven ons daardoor inzicht.

Alle referenties en citaten (door mij vertaald) verwijzen naar de Franse versie van Ricoeurs tekst. Het essay bestaat uit drie delen en in deze post vervolg ik mijn uitleg af van het eerste gedeelte van deze tekst. Deze bespreking van het eerste gedeelte zal ik in een volgende post afronden.

De tijd van helden is voorbij

Enkele zomervakanties geleden luisterden mijn vrouw en ik tijdens de lange terugreis in de auto naar de Belgische podcastserie over Napoleon van schrijver Johan Op De Beeck, die duidelijk overloopt van enthousiasme en bewondering voor de Franse generaal en keizer. In een meeslepend relaas vertelt Op De Beeck over de roerige liefdesperikelen van Napoleon, over zijn discipline en volharding, over zijn ongekende werkethiek — gelegerd in een tent nabij het front sliep Napoleon 's nachts niet maar dicteerde hij vanuit zijn bedstee decreet na decreet. Napoleon verschijnt in dit verhaal daarom niet alleen als een krijgsheld, maar zelfs als een mythisch figuur, een man van zulk formaat dat hij de teugels van de geschiedenis lijkt te hebben.

Geschiedschrijving is steeds meer een wetenschap geworden. Betekent dit dat historici nu zonder verhalen kunnen?

Geschiedschrijving is steeds meer een wetenschap geworden. Betekent dit dat historici nu zonder verhalen kunnen?

Na drie afleveringen waren wij deze wereldgeest-te-paard versie van Napoleon echter spuugzat en schakelden wij over op meezingers. Niet omdat Op De Beeck in zijn enthousiasme de feitelijkheid uit het oog zou verliezen — zijn relaas was duidelijk gestoeld op documenten, getuigenissen, brieven, et cetera — maar omdat ons het gevoel bekroop dat een complexe geschiedenis hier samengebald werd tot een verhaal als uit een avonturenroman. Kan de samenloop van historische omstandigheden écht worden toegeschreven aan één man als Napoleon, hoe indrukwekkend zijn politieke prestaties ook zijn? En kan je zijn verhaal vertellen zonder rekening te houden met banale zaken als de prijs van graan, de omvang van de bevolking, de inrichting van instituten, et cetera, die de context vormen waarin hij moest handelen? Hebben we voor het héle verhaal van het verleden niet geschiedenissen nodig zónder helden, en met meer oog voor de factoren die het dagelijks leven vormen? Als we naar het heden kijken geloven we toch ook niet dat de toekomst in zijn geheel afhangt van personen als Trump of Poetin, die ten slotte alleen zijn waar ze zijn doordat ze op de conjunctuur weten te surfen van condities als de economie of ideologie die geleidelijk aan veranderen met het trage tempo van gletsjers?

Geschiedenis zonder plot

Toen Ricoeur "Over interpretatie" schreef, waren er veel geschiedkundigen die dit ongenoegen over verhalen in geschiedschrijving deelden. Verhalen zouden de geschiedenis plat slaan en niet objectief zijn. Toen Ricoeur het opnam voor verhalen, stootte hij dus tegen de schenen van allerlei historici. Hun kritiek nam Ricoeur serieus, maar hij geloofde dat hij deze kon beantwoorden door uit te leggen dat verhalen complexer zijn dan historici vaak dachten — en ook dat ze tot een unieke vorm van begrip konden leiden, die ontbrak in andere wetenschappen. Laten we eerst kijken hoe Ricoeur de kritieken op de verhalende geschiedenis samenvat. Als we het essay oppakken waar we het vorige keer achterlieten zien we dat Ricoeur drie hoofdpunten van kritiek noemt.

Ten eerste waren historici klaar met verhalen die een grote rol weglegden voor individuele mensen en afgebakende gebeurtenissen, omdat zij geloofden dat historische verandering vooral zou volgen uit langzaam verschuivende omstandigheden. Het zouden niet de generaals, de oorlogshelden of indrukwekkende politici zijn die de geschiedenis sturen, maar eerder anonieme factoren zoals economische condities, demografische veranderingen, of culturele transities en ideologieën.

Historici gebruiken graag modellen en methodes uit andere wetenschapsgebieden om het verleden te verklaren.

Historici gebruiken graag modellen en methodes uit andere wetenschapsgebieden om het verleden te verklaren.

Ten tweede gebruikten historici steeds vaker andere onderzoeksmethodes, zoals die van de sociologie of de economie, die geïnspireerd waren op die van de natuurwetenschappen om wetmatigheden in de geschiedenis te ontdekken. Hiermee kon op een objectievere wijze verklaard worden wat er in het verleden voorviel. Historici waren op zoek naar verbanden die verklaarden waarom x gebeurde in omstandigheden y. Verhalen schoten bij deze eis aan objectiviteit tekort. Niet vertellen maar verklaren, was het devies.

Ten derde waren historici niet langer overtuigd dat de betekenis van de geschiedenis te vinden zou zijn in de verhalen van getuigen of betrokkenen van historische gebeurtenissen. Dat je ergens bij was, betekende nog niet dat je begreep waarom dit gebeurde. Daarmee nam de waarde van dagboeken, krantenartikelen, of andere verslagen door ooggetuigen af. Een kritische, wetenschappelijk blik op de geschiedenis zou juist een afstand moeten nemen van hoe mensen het verleden beleefden om op deze manier de waarheid van wat er gebeurde te ontdekken.

Een voorbeeld waarin bovenstaande kritieken tot een andere vorm van geschiedschrijving leidden is het meesterwerk La Méditerranée et le Monde Méditerranéen à l’époque de Philippe II (1949) van Ferdinand Braudel. Braudel was onderdeel van de school van de Annales, een groep historici die probeerde van geschiedenis een echte wetenschap te maken met meer oog voor de alledaagse mens en voor veranderingen op de lange termijn [de longue durée]. In zijn boek opent Braudel zijn geschiedenis dan ook niet met de mémoires of belevingen van individuen in het Mediterraanse gebied, zoals die van heersers Karel V of Filip II, maar met een uitvoerige beschrijving van geografische condities rondom de Mediterraanse zee en een analyse van hoe deze inwerkten op verschillende samenlevingen. Door de omgeving het eerste woord te geven beweegt Braudel weg van een spectaculair verhaal gevuld met individuele helden; hij laat juist zien dat de geschiedenis ontstaat in samenspel met langzaam verschuivende omstandigheden, zoals die in de natuurlijke omgeving, waarvan de historische actoren zich meestal niet eens bewust zijn. De geschiedenis wordt volgens zulke denkers dus nooit gevormd door heldhaftige enkelingen, zoals de verhalen ons willen doen geloven.

Het plot geeft te denken

Als Ricoeur tegen historici als Braudel inbrengt dat er geen geschiedenis zonder verhalen bestaat, dan pleit hij niet voor een terugkeer naar een geschiedenis van veldslagen-en-verdragen. Ook Ricoeur gelooft dat heldenverhalen geen recht doen aan de complexiteit van het verleden. Toch denkt hij dat het plot juist deze complexiteit kan bieden en dat auteurs als Braudel minder ver verwijderd zijn van verhalen dan ze denken.

Vorige keer legde ik uit dat Ricoeur denkt dat het plot van verhalen onze ervaring (van de tijd) kan structureren. Een plot schept de eenheid die ontstaat door de manier waarop alle onderdelen van een verhaal samengenomen worden tot een geheel. Als we bijvoorbeeld een roman lezen, dan komen we weliswaar gebeurtenis na gebeurtenis tegen, maar dankzij het plot is een roman niet zomaar een onsamenhangende opeenvolging van zaken. Het begin leidt ergens toe, en dat weet iedere lezer die een boek openslaat. Het plot zorgt er dus voor dat alles wat gebeurt uiteindelijk samenhang heeft, waardoor het begin tot een einde voert waarin de betekenis van een verhaal tot ontknoping komt. Dit vraagt evenveel van de schrijver in zijn compositie als van de lezer, die in staat moet zijn om de samenhang te zien die ontstaat terwijl het verhaal zich ontvouwt.

Spelen verhalen nog een rol naast de verklarende functie van andere wetenschappen?

Spelen verhalen nog een rol naast de verklarende functie van andere wetenschappen?

Voor Ricoeur betekent dit daarom dat het plot een eigen vorm van logica of begrijpelijkheid heeft, die ons tot een eigen vorm van inzicht kan leiden. Om een plot te begrijpen, moet de lezer namelijk alle delen van het verhaal aan elkaar kunnen verbinden en daardoor een samenhang zien ontstaan. Dat is een tamelijk complexe cognitieve operatie. Het plot leert ons dus om een grote hoeveelheid verschillende gebeurtenissen, personen, motieven, etc. samen te nemen op zo'n manier dat ze samen betekenisvol zijn. Ricoeur noemt dit vermogen van lezers een zeer verfijnd soort begrip, dat wil zeggen, een soort van inzicht dat ons in staat stelt om te samenhang te ontwaren in de wereld, waarin altijd zoveel factoren een rol spelen dat we van tevoren niet kunnen weten wat belangrijk is. Ricoeur denkt dat deze notie van het plot helemaal niet in strijd is met wat historici als Braudel proberen te bereiken. Hij weerlegt dan ook hun drie belangrijkste kritiekpunten.

Waar critici stelden dat verhalen alleen over individuele mensen en gebeurtenissen zouden gaan — en niet over omstandigheden — denkt Ricoeur dat verhalen (en plotten) ook zonder deze concrete zaken verteld kunnen worden. Sterker nog, geschiedenissen zoals die van Braudel zijn zélf nog steeds verhalen met een plot voor Ricoeur. Ze vertellen dan wel niet meteen over individuele mensen, maar ze ordenen nog steeds gebeurtenissen, verwikkelingen, ontknopingen op samenhangende manier. Dat het 'verhaal' van deze historici zich afspeelt op de lange termijn is voor Ricoeur geen bezwaar, het maakt het verhaal alleen maar rijker en complexer. Dit verhaal, hoe ver het ook wegvoert van individuele mensen, blijft echter wel tot en over de mens spreken. Braudel schrijft bijvoorbeeld geen geologisch vertoog, maar probeert uit te leggen waarom en hoe menselijke handelingen een geschiedenis schreven. In Ricoeurs woorden:

Uiteindelijk kan de geschiedenis niet breken met narratieven [of verhalen], omdat ze niet kan breken met [menselijk] handelen. Menselijk handelen veronderstelt actoren en ook doelen, omstandigheden, interacties, en zowel bedoelde als onbedoelde gevolgen. Het plot is de basale narratieve eenheid die deze heterogene ingrediënten tot een begrijpelijke totaliteit maakt.

In dit citaat stelt Ricoeur dat ook Braudel zoiets als een plot nodig heeft, omdat hij alleen geïnteresseerd is in zaken als geografie in zoverre deze samenhangen met menselijk handelen in de tijd. Het plot is de samenhang die Braudel aanbrengt tussen landschappen, samenlevingen, steden, individuen. Braudel breekt dus niet met het plot, maar verrijkt het idee van het plot juist: hij laat zien dat ook bergen, zeeën, et cetera, van belang zijn om de geschiedenis te vertellen.

Waar critici ten tweede stelden dat verhalen niet wetenschappelijk genoeg zouden zijn, denkt Ricoeur dat wetenschap en verhaal elkaar niet hoeven te bijten. Ricoeur is het met de critici eens dat er veel te leren valt voor historici van wetenschappers die economie of sociologie bestuderen, maar hij voegt hieraan toe dat deze inzichten pas historisch relevant worden als ze onderdeel worden van een verhaal. We zijn bijvoorbeeld alleen geïnteresseerd in hoe bevolkingsgroei of -krimp omstandigheden beïnvloedde in zoverre dit relevant is voor het verhaal van Frankrijk in de negentiende eeuw — niet als een tijdloze wetmatigheid op zichzelf. Het verhaal van Napoleon wordt volgens Ricoeur een beter verteld verhaal als zulke factoren als demografie er een onderdeel van worden. Verklaringen en wetenschappelijke inzichten kunnen ons dus helpen om beter te vertellen, zo stelt Ricoeur.

Volgens Ricoeur hoeven wetenschap en verhaal elkaar niet te bijten. Een goede historicus kan wetenschappelijke verklaringen gebruiken om beter te vertellen.

Volgens Ricoeur hoeven wetenschap en verhaal elkaar niet te bijten. Een goede historicus kan wetenschappelijke verklaringen gebruiken om beter te vertellen.

Ten slotte, waar critici dachten dat verhalen zouden teruggrijpen op de individuele ervaringen van getuigen, stelt Ricoeur dat verhalen meer doen dan dat. Een verhaal is bijvoorbeeld prima in staat om in te gaan op omstandigheden of veranderingen die op de lange termijn plaatsvinden, zoals we in talloze romans kunnen zien die familiegeschiedenissen van meerdere decennia vertellen. Daarnaast moeten we volgens Ricoeur beseffen dat een verhaal altijd iets toevoegt aan de ervaring. Een verhaal kopieert de ervaring in het geheel niet. Vertellen geeft eerder een structuur aan wat er ervaren is. Daardoor is een verhaal vrij om af te wijken van de individuele beleving en deze in een context of bredere situatie plaatsen. Daarom zegt Ricoeur ook: "het leven wordt geleefd, [maar] de geschiedenis wordt verteld." En, zoals we in mijn vorige post zagen, is vertellen altijd ook organiseren, samenhang aanbrengen, betekenis vinden. Verhalen maken het verleden dus begrijpelijk, menselijk, en breken geheel niet met de eisen van objectieve data.

Conclusie

Maar waarom is het voor Ricoeur zo belangrijk om vast te houden aan verhalen in de geschiedenis? De reden is, denk ik, dat hij wil voorkomen dat geschiedenis een abstracte beschrijving van de werkelijkheid wordt, die de mens met evenveel afstand bekijkt als een bioloog het leven onder de microscoop. De geschiedenis, dat zijn wij. In Tijd en Narratief legt Ricoeur uit dat de geschiedenis voor hem altijd doorwerkt in het heden: de verhalen die we vertellen over het verleden beïnvloeden hoe we het heden zien, en ze sturen ons daarmee ook richting een bepaalde toekomst. Deze vertelde tijd verbreedt onze horizon en structureert onze ervaring, nog voordat we hier bewust van worden. Verhalen zijn onmisbaar, omdat ze tegelijkertijd betekenis geven én ons uitnodigen om de werkelijkheid anders te bekijken. Ze maken daarmee de tijd menselijk — en veranderen het verleden van een reeks feiten tot een erfenis die ons aangaat.

In de posts tot nu toe hebben we onderstreept waarom verhalen en de geschiedenis belangrijk zijn voor Ricoeur. In een volgende post gaan we in op een probleem dat we eerder al aanstipten: verhalen hebben altijd iets fictiefs, dus is het geen probleem als de geschiedenis leert van de verhalenvertellers? Maken we het verleden daarmee niet zelf tot een fictie?

Bronnen en verder lezen

  • Paul Ricoeur. 1986. “De l'interpretation” in Du Texte à l'Action, 11-35. Paris: Seuil.
  • Richard Dowling. 2011. *Ricoeur on Time and Narrative: An Introduction to * Temps et Récit. University of Notre Dame Press.
  • Standford Encyclopedia of Philosophy over Paul Ricoeur
Gemaakt met Hugo
Theme Stack ontworpen door Jimmy